top of page
  • rooswoltering

Het verdriet van de verlosser

Een boom van een vent stapt mijn spreekkamer binnen. Mijn hoofd draai ik een kwartslag naar boven om de ruim twee meter lange achtentwintigjarige, laten we hem Paul noemen, te kunnen aankijken. Zodra we zitten, treffen onze ogen elkaar op gelijke hoogte. Nog beter zie ik nu zijn ontwapenende uitstraling die zachtmoedigheid verraadt. ‘Wat is de aanleiding voor jouw bezoek aan mij, Paul?’ Helder formuleert hij een tweeledige hulpvraag: ‘Ik wil weten wanneer ik moet stoppen met het uitoefenen van invloed op anderen, en ik wil leren om mensen meer te vertrouwen.’


‘Wat maakt dat jij uitgerekend nu besloten hebt om daarmee aan de slag te gaan?’ Paul zucht. ‘Om mijn broertjes. Zal ik maar direct beginnen? Het is nogal een verhaal.’ Hij steekt van wal. Er ontvouwt zich een uiterst complexe familiegeschiedenis. Over een vader die het gezin, met twee jonge kinderen en een baby op komst, verlaat als Paul vier is, en waarmee hij tot op de dag vandaag slecht contact heeft. Over een moeder die een nieuwe relatie krijgt met een gescheiden man met een groot aantal kinderen. Over drie halfbroertjes die uit deze nieuwe relaties ontstaan. Niet alleen leed, ziekte en dood, maar ook intriges, mishandeling en bedrog lopen als een rode draad door de familiegeschiedenis. Met Paul als rots in de branding die alles voor iedereen probeert te fixen.


De tijd vliegt voorbij terwijl Paul praat. Ik zucht. En dat signaal pikt Paul meteen op. Ik zie de alertheid voor zijn omgeving als hij naar me opkijkt, en met een aarzelende glimlach zegt: ‘Wat een zooitje hè?’ Alsof hij mijn reactie op zijn verhaal wil peilen.

‘Nee’, zeg ik. ‘Ja, wel een zooitje. Maar ik maakte zojuist een zucht van ontroering, toen er door me heen schoot dat we al bijna een uur aan het praten zijn, en dat we het over iedereen gehad hebben, maar pijnlijk weinig over jou. En dat is volgens mij precies waar het over gaat. Heel veel anderen, heel weinig Paul.’ Zijn glimlach verdwijnt en de tranen schieten in zijn ogen. ‘Ja, precies dat.’


Zoveel slachtoffers binnen een familiestructuur, dat vraagt om een redder. En in dit verhaal heet de Messias Paul. Als een verlosser probeert hij zijn moeder tot inzicht te bewegen, en poogt hij zijn broertjes en zusje, halfbroertjes, en stiefbroer en -zusje te beschermen. Maar er is één persoon waar hij niet aan toekomt. Dat hoef ik hem niet te vertellen, dat weet hij al. Maar zijn vraag is hoe hij zijn aandacht weer op zichzelf kan gaan richten, hoe hij zich zijn leven weer kan gaan toe-eigenen. ‘Ik weet dat het moet, maar ik heb geen idee hoe. Kun je me helpen?’


Zijn verhaal zingt zo de dagen er na nog wat door in mijn hoofd. Dat er mensen met aangrijpende levensverhalen tegenover me in de stoel plaatsnemen ben ik na al die jaren wel gewend, maar het verhaal van Paul, en Paul zelf, houden me bezig. Hij heeft er niets aan als je onder de indruk bent, schiet het door mijn hoofd. En ook niet als je hem gaat proberen te redden. Ik voel me op dat soort momenten weer even de dochter van mijn vader. Mijn lieve vader die ook de wereld op zijn schouders had genomen. En mijn behoefte als kind om hem in dat vele dragen wat te ontlasten. Onbewust voelde het als mijn taak om wat licht in zijn leven te brengen, hem gelukkig te maken. Iets in het contact met Paul brengt me terug naar de dynamiek die er ooit met mijn vader was. Overdracht noemen we dat, of Tegenoverdracht in dit geval om precies te zijn. Het herhalen van oude relatie patronen in het hier en nu, in een onbewuste poging iets op te lossen in deze oude relatie. In het contact wordt iets wakker gekust, maar het is niet van het hier en nu. Het is een stuk van mijn pad dat geraakt wordt in het contact met hem.

Super logisch dat het gebeurt - mijn opleider zei altijd zo mooi dat het niet de vraag is of, maar hoe overdracht plaatsvindt - maar het maakt me geen betere therapeut als ik me daar niet bewust van ben. Het risico bestaat namelijk dat ik dan als 10-jarige tegenover hem ga zitten en te graag wil dat zijn verhaal een happy end kent. Alsof ik nu de kans krijg rond te komen waar ik zelf nog wat te fixen heb. Waar ik ooit als meisje voor mijn gevoel met lege handen stond. Even terug gaan naar dat gemis, dat verlangen van die kleine Roos weer in mijn hele lijf voelen, maakt dat ik oud en nieuw van elkaar kan blijven scheiden in mijn begeleidingswerk.

Twee weken later zie ik Paul opnieuw. Hij vertelt hoe hij bewust heeft geprobeerd om zijn reddersrol naast zich neer te leggen. Tijdens een conflict tussen zijn moeder en zijn halfbroertje was hij naar huis gegaan, zonder het voor zijn broertje op te lossen, het tegengestelde van wat hij normaal zou doen. Maar dit distantiëren voelt niet goed, het voelt als de ander in zijn steek laten. Is dit dan de manier waarop hij het vanaf nu moet doen?


Vaak als we te veel geven, en we willen daar verandering in brengen, dan sluiten we ons af en trekken ons terug. Tot hier en niet verder, zeggen we dan. Op zich is er niks mis met stoppen met geven wat je niet te geven hebt, en leren waar jouw grens is.

Maar vaak is er ook iets anders te leren. Door uit de verbinding te gaan en je te onttrekken aan de situatie, leer je niet hoe je kan loslaten, maar tegelijkertijd wel in verbinding kan blijven. Ook als dat betekent dat de machteloosheid van het niet voor de ander kunnen oplossen, het echt aan de ander laten, je om de oren slaat.


Het valt me op dat Paul praat over zijn halfbroertje alsof het zijn zoon is, iemand waar hij zorg voor moet dragen. ‘Hoe oud ben je ook alweer?’ 28. ‘En je broertje?’ 21.

Ik maak de inschatting dat ik me wel een geintje kan permitteren. 28 pas? Net zo’n broekie als je broertje dus.’ Zachter vervolg ik: ‘En tegelijkertijd ook net zo volwassen, een jongen van 21 kan ook al behoorlijk voor zichzelf zorgen. Wordt het geen tijd om wat af te dalen en op dezelfde hoogte komen staan? En jezelf wat meer met de menselijke maat te meten?’


Door te redden hou je de ander op de plek van het slachtoffer en, zonder dat dit de intentie is, ondermijn je daarmee het groeien van de zelfredzaamheid van de ander. In de onderlaag zit de boodschap: zonder mij red jij het niet. Ik noem dit ook wel de vanillesmaak van de superioriteit. Het lijkt liefdevol om altijd alles voor de ander te willen oplossen, maar de kans is groot dat de ander meer op jou als redder gaat vertrouwen dan op het eigen vermogen om het probleem op te lossen. Daarmee bevestig je het slachtofferschap van de ander.


Kunnen voelen dat je ook als getuige, als hand in de rug, met een liefdevolle ‘ik zie je en ik vertrouw erop dat je dit zelf kan’ van grote betekenis kan zijn. En ja, soms betekent dit ook dat je praktische hulp biedt, of dat je tijdelijk iets overneemt als de ander daar niet toe in staat is. Maar alleen als jezelf ruimte hebt om te geven, en vanaf je eigen plek. Daar doe je de ander een groter plezier mee dan je denkt. En jezelf ook.


Redders hebben slachtoffers namelijk net zo hard nodig als andersom. Immers, juist in het redden zit een bekrachtiging van de eigen onmisbaarheid, van de waarde als mens. Natuurlijk, de plek die de redder inneemt kost hem of haar een boel. Maar tegelijk zit er een bepaalde gehechtheid aan die positie, het is een positie die zijn of haar leven betekenis geeft en verbonden is met de eigen identiteit. Want als je rol van redder wegvalt, wie ben je dan nog …


Ik wil Paul duidelijk maken hoe groot hij zichzelf maakt. Het blok in de kamer dat als bijzettafel dient, schuif ik midden op de vloer. ‘Zou je op dat blok willen gaan staan?’ Daar staat hij dan, nog groter dan hij al is. Rondom het blok leg ik matjes die zijn (half-) broers en zusje representeren. ‘Kijk maar rond, en zeg tegen je broertjes en zusje: ik ben God almachtig.’

Vol onbegrip kijkt Paul me aan. ‘Maar zo voel ik me helemaal niet.’

‘Begrijp me niet verkeerd Paul, ik beticht je niet van arrogantie of borstklopperij. Maar dit is wat je doet: jezelf verheffen door te zeggen dat jij het wel regelt voor hen.’

De vertwijfeling in Paul’s blik wordt groter. ‘Mag ik er weer af?’

Ondanks dat ik gevoelig ben voor zijn ongemak, wil ik hem niet alleen laten snappen wat hij doet, maar het ook laten voelen. Leren vestigt zich immers meer in de doorleefde ervaring dan in het weten. Met neutralere woorden: ‘Zeg eens tegen je broers en zusje: ik los het voor jullie op, laat het maar aan mij over.’


Het dringt tot hem door dat de plek die hij inneemt aanmatigend is, hoe goed bedoeld ook. En hoe weinig hij erop vertrouwt dat ze zichzelf kunnen redden. Ik nodig Paul uit van het blok af te komen en zijn plaats in de kring te nemen. ‘Zou je willen rondkijken en zeggen: ik hoor bij jullie, ik ben een van jullie.’ Zo kan Paul zijn plek voelen als oudste broer, een heel andere positie dan die als vader of redder. Met vragende ogen kijkt Paul mij aan: ‘Maar mag ik dan niet meer voor ze zorgen? Moet ik ze in de steek laten?’

‘Natuurlijk mag je er voor ze zijn, maar net zoals met vrienden, moet er een balans zijn tussen geven en nemen om de relatie gelijkwaardig te houden. Jij kunt ook steun van hen ontvangen. In het niet aannemen van die steun ga je de verbinding met je eigen kwetsbaarheid uit de weg. Een relatie vormt zich in het ontvangen, niet in het geven.’


Ik ga op het matje van zijn zusje zitten, mijn handen voor me gevouwen in een kommetje, met daarin denkbeeldig haar leed. ‘Kijk, het leed van de ander zien, dat hoef ik je niet te leren. En dat vermogen zal je ook niet verliezen, dat is echt een kwaliteit van je. Maar waar je wat in bij zou kunnen leren, is om haar kommetje bij haar te laten, en jouw eigen kommetje wat vaker tevoorschijn halen.’

‘Dat ga ik niet laten zien’, zegt hij met zijn vertrouwde koppigheid. Maar even later vouwt hij toch zijn handen open. ‘Ik heb ook een kommetje.’

‘En wat zit er dan in dat kommetje, Paul?’

‘Dat weet ik eigenlijk niet.’ Ik nodig hem uit in zijn handen te kijken. Zijn ogen vullen zich met tranen. ‘In mijn kommetje zit heel veel verdriet.’

‘Waar gaat dat verdriet dan over?’

‘Over verlies. Over een vader die er niet voor me geweest is.’


Waar we verantwoordelijkheid nemen voor de pijn van de ander, nemen we geen verantwoordelijkheid voor onszelf. En de shit van de ander is vaak gemakkelijker om je mee bezig te houden dan je eigen ellende. De verantwoordelijkheid voor het geluk van de ander hoort enkel en alleen bij de ander. Net zoals dat de verantwoordelijkheid van je eigen geluk bij jou thuis hoort. Door zorg te dragen voor dat wat van jou is, kun je op je plek blijven staan, ook als de wereld om je heen in brand staat. En daarmee krijgt ook de eigen pijn meer ruimte om gevoeld te worden. Niet fijn, wel nodig. Zo komt er ruimte om je eigen gemis vol vast te pakken. En daarmee krijgt ook de levenslust weer vrijheid om te groeien.


En dan zijn we terug bij waar Paul’s verhaal begint. Het verhaal van een kleine jongen die al jong besloten heeft de wereld op zijn schouders te nemen. Die zich verstopte achter de wasmachine als zijn ouders ruzie hadden en na afloop zijn moeder ging troosten. Hij is verantwoordelijkheid gaan nemen voor dingen die niet van hem zijn, daarmee is hij van zijn plek gegaan. In dit geval, van zijn plek als kind en als broer. Hij is zorg gaan dragen voor de noden van zijn omgeving, en komt daarmee logischerwijs niet meer toe aan zichzelf. Paul mag leren dat hij in eerste instantie verantwoordelijkheid mag gaan dragen voor zijn verhaal. Hij mag weer de zoon van zijn eigen vader worden, met alles wat er wel en niet was, in plaats van een vader voor zijn broers en zussen. We praten over manier waarop hij zijn plek als “de kleine” en “de gelijke” in het dagelijks leven meer kan gaan voeden.


‘Ik snap helemaal wat je bedoelt. Maar, als ik leer om mijn plek in te nemen, gaan mijn broers en zussen dat dan ook doen? Leren zij dan ook voor zichzelf zorgen?’

Ik grinnik om de hardnekkigheid van zijn loop naar de ander, hoe er in zijn handelen elke keer stiekem toch een oplossing voor de ander besloten ligt. En hoe trouw hij is aan zijn belofte het voor iedereen te fixen.

‘Natuurlijk mag jij als oudste broer voordoen hoe het ook kan, een stapje vooruit op de troepen. Maar lieve Paul, of ze zullen volgen, daar ga jij niet over, dat is niet aan jou maar aan hen om te bepalen.’

‘En’, vervolg ik, ‘de vraag die jij jezelf mag gaan stellen: ga jij jezelf en jouw eigen geluk tot prioriteit maken? Ook als dat betekent dat ze je niet zullen volgen, of erger nog, dat de hele boel in elkaar stort als jij er niet meer bent om het geheel te stutten?’


Vol voor je eigen geluk gaan en het lot van de ander bij de ander laten, vraagt om het verduren van de schuld dat het jou goed gaat en de ander misschien niet. Gelukkiger worden dan de mensen om je heen, dat het met jou wel goed gaat, is een grote klus en zorgt vaak voor een innerlijke conflict. Hoe kan ik loyaal blijven aan waar ik vandaan kom én tegelijkertijd mijn eigen pad volgen?


Paul kijkt me aan: ‘Ik weet niet of ik dat kan.’

Weer voel ik het kleine kind in mij dat alles wil doen om hem te overtuigen vol voor zijn eigen geluk te gaan; ik buig van binnen mijn hoofd diep voor dat waar ik niet over ga. Hij zal zelf op zoek moeten naar een antwoord op deze vraag. En ik vertrouw erop dat hij dat antwoord gaat vinden.


Een paar maanden verder, aan het einde van ons traject, heeft hij zijn antwoord gevonden. Hij is dezelfde, maar er is ook wezenlijk iets veranderd. Hij durft steeds beter trouw te blijven aan zichzelf, schuld te nemen als hij zijn eigen geluk voor laat gaan. Hij durft zichzelf aan te kijken en alles uit dat kommetje vast te houden. Zelfs, en misschien wel juist, als dit ontzettend moeilijk is.


Paul schreef me deze brief als terugblik op ons traject:


Toen ik voor de eerste keer bij Roos naar binnen liep had ik inderdaad een hele duidelijke hulpvraag. Een waarvan ik achteraf kan zeggen "het dekte de lading niet". Onwetend als ik was, had ik geen flauw idee waar te beginnen.


Dankzij Roos, haar advies, haar luisteren, en de warmte die ik tijdens onze gesprekken ervaarde, heb ik veel geleerd.


Ik deel graag een paar van de voor mij Grote lessen:


Handel vanuit dat wat voor jou belangrijk is ondanks angst.


Ik probeer mezelf te geven en laat mij zien en zijn, met alle kans op falen en of verdriet van dien.


En deze sluit naadloos aan op de eerste, schuld nemen.


Mijn broertje woont sinds kort weer thuis na een ruim jaar bij mij gewoond te hebben.

Daar waar ik eerst probeerde een ruzie op te lossen tussen mijn broertje en zijn vader (mijn stiefvader) zodat ik mijn huis terug zou krijgen, ben ik het gesprek aangegaan en heb ik hem verteld dat ik mijn huis terug wilde. Wat daaruit voortkwam was dat mijn broertje het zelf belangrijk begon te vinden om die ruzie op te lossen.


Als het betekent dat mijn broertje kwaad op me wordt omdat ik mijn huis weer voor mezelf wil, dan is dat echt vervelend, maar niet aan mij om mijn keuzes daarvan af te laten hangen.


Voor mij betekent dit: trouw zijn aan jezelf ondanks de consequenties, is altijd goed. Zelfs, en misschien wel juist als dit ontzettend moeilijk is. En vaak is dat het, ontzettend moeilijk.


Wat ik ook heb geleerd is dat je er altijd keuzes in kunt maken, dat je er bij stil mag staan en bovenal: dat we het moeilijk mogen vinden.


Voor mij is dat de situatie met mijn vader. Het gesprek met hem aangaan vind ik tot nu toe nog steeds eng en spannend. Tegelijkertijd is ieder ding, hoe klein ook, dat we "behandelen" of bespreken van hele grote waarde en iets waar ik zelf voor kies.


Daarna kan ik terugkijken en zien dat ik het heft in eigen handen heb genomen. Dat ik aan de slag ben gegaan, met mijn pijn en met de heling daarvan.


Nog iets wat ik geleerd heb, mezelf aankijken, er mogen zijn en alles uit dat kommetje vasthouden.


Mijn dank Roos, dit gun ik iedereen.


0 weergaven0 opmerkingen

Recente blogposts

Alles weergeven

Comments


bottom of page